achtergrondartikel
Trauma in je DNA: feit of fabel?
24 - 07 - 2026
Redactie Kijk op Kennis

Van TikTok tot therapiekamer groeit het idee dat trauma biologisch wordt doorgegeven van generatie op generatie. Wetenschappers zien aanwijzingen dat ervaringen invloed hebben op het lichaam, maar bewijs voor erfelijk trauma via DNA blijft beperkt.

Door Myrthe List

In podcasts, zelfhulpboeken en online therapiegesprekken duikt de term steeds vaker op: intergenerationeel trauma. Angst, stress of emotionele patronen zouden niet alleen psychologisch, maar zelfs biologisch kunnen worden doorgegeven aan kinderen en kleinkinderen. Vooral het vakgebied epigenetica heeft die gedachte populair gemaakt. Toch waarschuwen wetenschappers dat het publieke debat vaak sneller gaat dan het onderzoek zelf. Want hoewel ervaringen invloed kunnen hebben op hoe genen functioneren, betekent dat nog niet dat trauma letterlijk “in het DNA” terechtkomt.

Een verklaring voor familiepatronen

De groeiende aandacht voor intergenerationeel trauma komt niet uit het niets, zegt psycholoog Lieke Roetman. Naast haar baan als psycholoog bij het Sinai Centrum, doet Lieke Roetman onderzoek naar trauma en mentale gezondheid.  “De aandacht voor trauma in bredere zin is de afgelopen jaren sterk toegenomen, en daarbinnen ook voor intergenerationele overdracht,” zegt ze. Volgens haar zoeken veel mensen naar verklaringen voor patronen binnen families. “Mensen herkennen angst, emotionele afstand, woede of zwijgen binnen generaties. Het idee dat zulke patronen verbonden kunnen zijn met eerdere generaties, geeft vaak betekenis en context.”

Die gedachte past binnen een bredere maatschappelijke ontwikkeling waarin psychische klachten steeds vaker biologisch worden verklaard. “We leven in een tijd waarin biologische verklaringen veel gezag hebben,” zegt Roetman. “Mensen zoeken naar iets tastbaars of meetbaars.”

Ook de media besteden veel aandacht aan het onderwerp. In het artikel Wij zijn onze baarmoeder’ in De Groene Amsterdammer beschrijft journalist Margreet Fogteloo hoe wetenschappers zwangerschap steeds vaker zien als een cruciale periode voor latere gezondheid en gedrag. Het idee dat ervaringen al vóór de geboorte biologische sporen nalaten, spreekt sterk tot de verbeelding. Maar maatschappelijke populariteit betekent niet automatisch dat de wetenschap al definitieve antwoorden heeft.

Meer dan alleen genetica

Veel discussies over intergenerationeel trauma verwijzen naar epigenetica. Dat vakgebied onderzoekt hoe omgevingsfactoren invloed kunnen hebben op de activiteit van genen, zonder dat de DNA-code zelf verandert. “Epigenetica gaat over veranderingen in genactiviteit zonder dat de DNA-volgorde zelf verandert,” zegt epigeneticus Laura Franken van het Leiden University Medical Center. “Je kunt het zien als een laag bovenop het DNA die bepaalt welke genen aan of uit staan.”

Die regulatie kan beïnvloed worden door factoren als stress, voeding of blootstelling aan schadelijke stoffen, vooral tijdens de zwangerschap en vroege ontwikkeling. Onderzoekers kijken daarbij bijvoorbeeld naar DNA-methylatie: kleine chemische markeringen op het DNA die invloed kunnen hebben op de aflezing van genen.

Volgens Franken zijn vooral de eerste levensfasen biologisch gevoelig. “Tijdens de zwangerschap en de eerste levensfase is het epigenoom extra gevoelig,” zegt ze.

Wetenschappers zien in meerdere studies inderdaad verbanden tussen vroege omgevingsfactoren en latere gezondheid. In een overzichtsartikel van de Tsjechische onderzoeker Jana Svorcova van Charles University in Praag bespreken wetenschappers verschillende studies naar stress en epigenetica. Vooral dieronderzoek laat zien dat stress invloed kan hebben op biologische processen die bepalen hoe genen worden afgelezen. Sommige onderzoekers zagen bijvoorbeeld dat nakomelingen van gestreste muizen gevoeliger reageerden op stressprikkels.

Onderzoekers vonden ook verbanden tussen vroege stress en een verhoogde kans op mentale of lichamelijke gezondheidsproblemen op latere leeftijd. In een overzichtsstudie onderzochten Amerikaanse onderzoekers onder leiding van psychiater en neurowetenschapper Nagy Youssef eerdere studies naar trauma, PTSS en DNA-methylatie bij kinderen van getraumatiseerde ouders. Daarin vonden ze aanwijzingen dat trauma samenhangt met biologische veranderingen die invloed kunnen hebben op stressreacties, mentale gezondheid en lichamelijke aandoeningen later in het leven.

Franken benadrukt dat zulke verbanden meestal statistisch zijn. “Het gaat om invloeden die de kans op bepaalde uitkomsten vergroten, niet om een vast biologisch lot.”

Het bewijs blijft ingewikkeld

Binnen het debat over trauma en epigenetica bestaat een belangrijk onderscheid tussen intergenerationele en transgenerationele overdracht. Intergenerationeel verwijst naar directe invloed van ouder op kind, bijvoorbeeld tijdens de zwangerschap. Transgenerationeel gaat een stap verder: daarbij zouden biologische effecten ook zichtbaar blijven bij generaties die nooit direct aan de oorspronkelijke stress of trauma zijn blootgesteld. Juist dat laatste blijft wetenschappelijk controversieel.

Ondanks dat er in dierenonderzoeken wel degelijk aanwijzingen zijn dat stress-gerelateerde epigenetische veranderingen mogelijk meerdere generaties kunnen beïnvloeden, ligt het bij mensen ingewikkelder. “Bij mensen is er nog geen overtuigend bewijs dat trauma via epigenetische mechanismen structureel wordt doorgegeven over generaties heen,” zegt Franken.

Een overzichtsartikel in het tijdschrift World Psychiatry, waarin onderzoekers zo’n 200 eerdere studies naast elkaar legden, concludeerde dat veel onderzoek naar trauma en epigenetica klein is en moeilijk te reproduceren. Bovendien is het moeilijk vast te stellen of gevonden biologische verschillen daadwerkelijk door trauma worden veroorzaakt, of samenhangen met andere factoren zoals armoede, stressvolle leefomstandigheden of gezondheidsgedrag.

Wat gezinnen doorgeven

Volgens psycholoog Roetman is er momenteel sterker bewijs voor sociale en psychologische overdracht dan voor biologische overdracht. “De meest overtuigend aangetoonde mechanismen zijn sociaal en psychologisch,” zegt ze. “Denk aan opvoedingspatronen, hechtingsrelaties, omgang met emoties of stress binnen het gezin.”

Kinderen leren volgens haar niet alleen via expliciete opvoeding, maar ook via sfeer, gedrag en emotionele reacties van ouders. “Ze zijn extreem gevoelig voor de emotionele toestand van ouders.”

Dat sluit aan bij decennia aan onderzoek naar hechting, chronische stress en gezinsdynamiek. Kinderen die langdurig opgroeien in onveilige of stressvolle omstandigheden hebben gemiddeld een grotere kans op psychische problemen later in het leven. Die overdracht hoeft niet biologisch te zijn om diepe invloed te hebben.

Volgens Roetman ontstaat trauma bovendien nooit in een vacuüm. “Armoede, oorlog, discriminatie, geweld en sociale uitsluiting spelen een enorme rol,” zegt ze. “Als we alles biologiseren, verliezen we soms zicht op de maatschappelijke context waarin psychisch lijden ontstaat.”

Tussen wetenschap en zelfhulp

De biologische invalshoek blijft juist veel aandacht trekken. Dat heeft volgens Roetman ook psychologische redenen. Een biologische verklaring kan erkenning geven en schuld verminderen. “Voor sommige mensen voelt het minder alsof het ‘tussen hun oren’ zit.”

Maar daar schuilt ook een risico in. In media wordt soms gesuggereerd dat trauma letterlijk opgeslagen ligt in het DNA en onvermijdelijk wordt doorgegeven aan volgende generaties. Wetenschappers vinden die formulering te simplistisch.

“Trauma verandert niet letterlijk iemands DNA-code,” zegt Roetman. Franken zegt hetzelfde: “De uitspraak dat trauma in je DNA zit, is biologisch onjuist.” Volgens beide onderzoekers raakt nuance in het publieke debat vaak verloren. Influencers, coaches en sociale media presenteren voorlopige onderzoeksresultaten soms alsof er al hard bewijs bestaat voor biologische overdracht van trauma.

Dat kan gevolgen hebben voor hoe mensen naar zichzelf kijken. “Het risico bestaat dat mensen zichzelf gaan zien als biologisch beschadigd of gedetermineerd,” zegt Roetman. “Dat kan gevoelens van machteloosheid versterken.”

Geen vastgelegde erfenis

Dat betekent niet dat epigenetisch onderzoek onbelangrijk is. Integendeel: wetenschappers zien steeds duidelijker dat omgeving en biologie voortdurend op elkaar inwerken. Het onderzoek laat zien dat ervaringen letterlijk invloed hebben op lichamelijke processen. Maar die invloed blijkt complexer en minder voorspelbaar dan populaire slogans soms suggereren.

“We weten dat vroege omgevingsfactoren invloed kunnen hebben,” zegt Franken. “Maar de grootte, duur en overdraagbaarheid van die effecten zijn nog lang niet volledig begrepen.”

Volgens Roetman is het daarom belangrijk om trauma niet als een biologisch noodlot te zien. “Kwetsbaarheid betekent niet hetzelfde als onvermijdelijkheid,” zegt ze. “Mensen zijn beïnvloedbaar, maar ook veranderbaar.”

Misschien is dat uiteindelijk precies waarom het debat over intergenerationeel trauma zoveel mensen aanspreekt. Het raakt aan fundamentele vragen over afkomst, identiteit en familiegeschiedenis.

Illustratie door Mohamed Hassan, pxhere.com, (CC0)