achtergrondartikel
Langer werken? Niet als je lichaam al op is
24 - 07 - 2026
Redactie Kijk op Kennis

We leven langer, dus moeten we langer werken. Maar ongeveer een op de drie werkende Nederlanders doet fysiek zwaar werk en hun lichaam is vaak al op voordat het pensioen begint.  Hoe eerlijk is dat systeem?

Door Sander van Beijsterveldt

“Ik zou niet weten hoe ik dit werk tot mijn 67e zou moeten doen”, Martijn de Rooij is liftmonteur. Zijn werkdagen spelen zich af in flatgebouwen: hij moet kapotte liften weer aan de praat krijgen. Met zijn gereedschap loopt hij eindeloos trappen op en af. “Ik vind het leuk werk, maar na een lange dag werken ben ik kapot”, zegt De Rooij. “Ik fitness bijvoorbeeld graag, maar daar heb ik niet altijd energie meer voor.” 

Vanaf zijn 16e werkt hij als monteur. Inmiddels is De Rooij ‘pas’ 25, toch denkt hij na over zijn pensioenleeftijd. “Misschien red ik het, maar dan moeten ze wel iets veranderen.”

Met ‘ze’ bedoelt De Rooij de politiek. De versnelde verhoging van de AOW-leeftijd is inmiddels van tafel, maar het kabinet blijft de AOW-leeftijd koppelen aan de stijgende levensverwachting. En die link is volgens emeritus hoogleraar epidemiologie aan het Amsterdam UMC Dorly Deeg misleidend. Ze doet al decennialang onderzoek naar ouderdom en ziet daarin een trend. “De gezonde levensverwachting stijgt niet. We leven langer door betere medische zorg,” zegt Deeg. “Maar dat betekent ook dat mensen langer met ziekte leven.”

‘Geen rechtvaardig systeem’

De extra levensjaren na je pensioen zijn dus niet per se extra jaren in goede gezondheid. Bovendien zijn ze niet voor iedereen gelijk. In 2022 combineerden onderzoekers van Tilburg University en Erasmus University tientallen jaren gezondheidsdata met sterftecijfers. Zo berekenden ze hoeveel jaren mensen rond hun pensioen in goede gezondheid leven. De conclusie? Lageropgeleiden komen steeds vaker gezonde jaren tekort vóór hun pensioenleeftijd. “Mensen in zware beroepen, over het algemeen laagopgeleiden, halen de huidige AOW-leeftijd niet eens in goede gezondheid”, vult Deeg aan.

Hoogopgeleiden leven niet alleen langer, ze blijven ook langer gezond. Lageropgeleiden sterven juist gemiddeld jonger én worden eerder ziek. De kloof in gezonde jaren tussen beide groepen is volgens het CBS zelfs groter dan de kloof in totale levensjaren. Wie onderaan staat, leeft dus niet alleen korter, maar brengt ook een groter deel van dat kortere leven in slechte gezondheid door.

Onderzoek van Tilburg University laat zien dat een stijgende uniforme AOW-leeftijd die verschillen niet verkleint, maar juist vergroot. Want wie minder lang leeft en minder gezonde jaren heeft, levert verhoudingsgewijs het meeste in: langer doorwerken, voor minder pensioenjaren. Een dubbel nadeel, precies voor de groep die het al het zwaarst heeft.

Voor Deeg is het niet alleen een rekensom. “Je wil toch niet dat mensen in zware beroepen een paar jaar na hun pensioen doodvallen. Dat is geen rechtvaardig systeem.”

Zwaar werk is geen uitzondering

Wie zijn die mensen voor wie doorwerken tot op hoge leeftijd problematisch is? “In ons onderzoek noemen we werk zwaar als het gepaard gaat met veel tillen, ongunstige houdingen, repeterende bewegingen of trillingen”, zegt Pieter Coenen, senior onderzoeker volks- en arbeidsgezondheid aan het Amsterdam UMC. Hij onderzoekt de gezondheidseffecten van werk. “Denk bijvoorbeeld aan mensen werkzaam in de bouw, zorg, schoonmaak of logistiek.”

Het aantal Nederlanders in zo’n zwaar beroep ligt hoger dan veel mensen denken, zegt Coenen. “Ik leef in een bubbel van hoogopgeleiden. Dan denk je snel: zwaar werk, dat komt eigenlijk niet veel meer voor. Maar dat beeld klopt niet.” Coenen deed er onderzoek naar en wat bleek: “34 procent van de werkende bevolking in Nederland doet fysiek zwaar werk. Ongeveer een op de drie van de werkende Nederlanders.”

Wel bewegen, toch ongezond

“Lange tijd werd aangenomen dat zwaar werk vooral schade aanricht aan spieren, gewrichten en de rug”, vertelt Coenen. “Vaak werd gezegd: ‘Daar ga je niet dood aan. Dat is hooguit vervelend’.” Maar dat beeld klopt niet, stelt Coenen. Niet meer. “Recent onderzoek laat zien dat het niet alleen is dat je er houdings- en bewegingsklachten van krijgt, maar ook cardiovasculaire schade, effecten op het hart- en vaatstelsel.”

Coenen en collega’s analyseerden de gegevens van 23 studies met in totaal ruim 650.000 werkenden. De uitkomst? Zwaar lichamelijk werk biedt niet de bescherming aan hart en bloedvaten die je van bewegen in de vrije tijd wél mag verwachten. Voor één specifieke hartaandoening, de kransslagaderziekte achter hartinfarcten, wezen de cijfers zelfs licht richting een verhoogd risico.

En het blijft niet bij het hart. In een andere analyse, van zeventien studies met bijna 194.000 deelnemers, vonden ze dat mannen met de zwaarste beroepen bijna een vijfde meer kans hadden om vroeg te sterven dan mannen met licht werk, ook als je meerekent hoeveel ze in hun vrije tijd bewogen. Bij vrouwen bleef dat verband uit.

Dat lijkt paradoxaal: bewegen is toch gezond? Coenen vermoedt dat fysieke arbeid het lichaam heel anders belast dan bewegen in de vrije tijd, al benadrukt hij dat die hypothese nog verder onderzoek vergt. Hij wijst op het verschil tussen een half uur sporten en acht uur fysieke arbeid per dag. “Als je sport, gaat je bloeddruk tijdelijk omhoog”, legt Coenen uit. “Maar daarna rust je uit en herstelt je lichaam. Als je de hele dag door op een matig hoog niveau belast wordt, krijgt je lichaam die hersteltijd niet. Dat is belastend voor je lichaam. Dat kan schadelijk zijn voor het hart- en vaatstelsel.” 

Een mogelijke oplossing ligt in het verbeteren van de conditie, maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. “Mensen die de hele dag fysiek bezig zijn, kunnen niet zomaar na hun rondje werk nog een rondje hardlopen”, reageert Coenen.

Volgens hem ligt de sleutel om iets aan de balans van het werk te doen. “Zorg dat het werk niet te zwaar is en zorg voor voldoende rustmomenten. Dat alleen is gezonder, maar de bijvangst is dat je na werk nog puf hebt om te sporten. Dat is een win-win.”

Niet alleen het lichaam stelt grenzen

Het lichaam slijt. Maar geldt dat ook voor het brein? Het ligt een stuk ingewikkelder, stelt neurowetenschapper aan de Radboud Universiteit Linda Geerligs. Ze onderzoekt hoe het brein verandert naarmate mensen ouder worden. “Vanaf het twintigste levensjaar zien we in het lab achteruitgang in de hersenen. Specifiek in informatieverwerking en de geheugenfunctie.” 

Maar theorie en het echte leven verschillen, stelt Geerligs. “In het laboratorium laten we mensen taken uitvoeren die ver van hun dagelijks leven liggen. Maar in dagelijkse bezigheden kunnen mensen terugvallen op de ervaring en kennis die ze hebben opgebouwd. Daarmee kun je die achteruitgang compenseren.” Werk kan daarin een rol spelen: “Mits mensen daardoor actiever blijven, problemen oplossen en sociale contacten onderhouden. Dat zijn namelijk allemaal factoren die het brein prikkelen.”

Maar de relatie is dubbel. Werk kan stimuleren hersenen, maar ook uitputten. “Stress heeft een duidelijke negatieve impact op de hersengezondheid”, geeft Geerligs aan. “Als je werk veel stress oplevert, kan stoppen juist goed zijn. Maar als dat betekent dat je vervolgens fysiek, sociaal of cognitief veel minder actief bent, leidt het nog tot meer achteruitgang.”

Geerligs benadrukt hoe de hersengezondheid sterk verschilt per individu. Wat het beste zou zijn voor het brein? Een pensioenregeling die daar rekening mee houdt. “Ik zou pleiten voor een systeem waarin we meekijken naar de behoefte van het individu. Geen zwart-witsysteem, maar een met flexibiliteit.”

Kan het anders?

Het AOW-systeem moet volgens Deeg anders ingericht worden. “Ik zeg al vijftien jaar: je moet naar de gezonde levensverwachting kijken.” Maar wat ‘gezond’ precies betekent, is een vraag waar veel discussie over bestaat. Voor Deeg niet. “Als een beperking tijdens het werken langer dan drie maanden duurt, spreken we van een chronische beperking in het functioneren. Dat vind ik een van de beste manieren om naar gezondheid te kijken.” 

Met die benadering is het volgens Deeg denkbaar om de pensioenleeftijd direct te koppelen aan de gezonde levensverwachting. “Stel aan werknemers de vraag in hoeverre ze beperkt zijn in hun functioneren? Die informatie kun je combineren met gegevens van het CBS over levensverwachting. Een hele klus, maar zeker mogelijk.”

Tegelijkertijd benadrukt Deeg dat het probleem niet alleen bij het pensioenstelsel ligt. De eerste stap ligt volgens haar in betere werkomstandigheden: “We moeten eerst zorgen dat mensen hun huidige AOW-leeftijd überhaupt halen. Daarvoor moet het werk aangepast. Denk aan een extra pauze, meer autonomie of aanpassing van taken voor oudere werknemers.”

Coenen denkt daar hetzelfde over. De pensioenleeftijd verlagen voor mensen met zware beroepen is zijn eerste gedachte, maar hij bedenkt zich snel. “Eigenlijk is dat dweilen met de kraan open. Ik zou het liever aan de voorkant aanpakken. Betere arbeidsomstandigheden, zodat mensen gezonder oud kunnen worden. En dan hoop je dat de noodmaatregelen niet nodig zijn.”

En De Rooij? Voor hem is het pensioen nog ver weg, ruim veertig jaar. “Maar nog veertig jaar dit werk lijkt me onmogelijk”, zegt hij. “Misschien moet ik op zoek naar iets anders, maar ik zou nog niet weten hoe.” Wat hij vooral hoopt, is dat hij er op tijd uit kan stappen. “Helemaal afgetakeld blijven werken is niet wat je wil.”

24 - 07 - 2026 |
Redactie Kijk op Kennis