achtergrondartikel
Europa wil minder fast fashion: ‘Het zijn chemische bommetjes’
24 - 07 - 2026
Redactie Kijk op Kennis

Terwijl je bij de McDonald’s uit een papieren rietje moet drinken, kan je op SHEIN zonder moeite alle kleding bestellen die je maar wil hebben. De verkoop van kleding is in de afgelopen jaren alleen maar gestegen. Waarom lukt het de kledingindustrie niet om te verduurzamen? Europa wil dit vanaf volgend jaar gaan oplossen met het Digital Product Passport.

Door Guido Vink

De kledingindustrie is verantwoordelijk voor tien procent van de wereldwijde uitstoot van koolstofdioxide. Dit is net zo veel als de luchtvaart- en scheepvaartindustrie samen volgens de VN. Verduurzaming binnen de kledingindustrie lijkt moeizaam te gaan. Het is vooralsnog bijna onmogelijk om een kledingstuk te kopen dat honderd procent biologisch afbreekbaar is. In hoeverre is de kledingindustrie in staat om te verduurzamen en circulariteit te bereiken? En waarom lukt dat nu nog niet?

Kinderkleding van eigen bodem
Het bedrijf Infantium Victoria werd in 2014 opgericht door Dinie van den Heuvel. Met dit bedrijf produceert ze lokaal kinderkleding van circulaire materialen die niet met giftige middelen zijn behandeld tijdens productie. Naast haar ondernemerschap is Van den Heuvel promovendus in Sustainable Studies aan de Anant National University, waar ze onderzoek doet naar de integratie van duurzaamheid in modeopleidingen.

Het kledingbedrijf van Van den Heuvel hanteert sinds 2018 ook een takeback-programma waarbij gedragen kleding wordt teruggekocht en opnieuw verkocht. Hiermee wil Van den Heuvel de verkoop van tweedehandskleding stimuleren. Slechts drie procent van alle verkochte kleding wereldwijd is tweedehands. Van den Heuvel wil dat aanbod vergroten, zodat meer mensen tegen een lagere prijs gebruik kunnen maken van haar duurzame kleding.

Chemische bommetjes
Kleding van verkoopplatformen als SHEIN is vaak nog steeds goedkoper dan tweedehandskleding. Van den Heuvel betreurt dit: “Omdat SHEIN een andere bedrijfsvorm heeft, valt het helemaal niet onder Europese regels. SHEIN importeert pakketje per pakketje en die vergiftigen ons waar we bij staan.” Recent onderzoek van de Consumentenbond bevestigde dit. Uit steekproeven bleek dat een kwart van de producten van de Chinese verkopers Temu en SHEIN gevaarlijk zouden zijn voor de gezondheid van de mens door aanwezigheid van gevaarlijke chemicaliën. In enkele producten zaten stoffen die kankerverwekkend zijn. Van den Heuvel maakt zich zorgen: ‘Die chemicaliën horen gewoon niet in ons drinkwater terecht te komen, terwijl iedere keer dat je het kledingstuk wast, komt het in ons watersysteem terecht. We importeren allemaal massaal voor de vrolijkheid één voor één kleine chemische bommetjes.’

Het circulaire alternatief
Circulaire kleding is nog bijna niet te koop. Sto^en die circulair zijn, zijn moeilijk om mee te werken en iets modieus van te maken als kledingontwerper, stelt Van den Heuvel: “De meeste mensen die de mode ingaan, willen iets leuks maken. Mode is een manier om jezelf uit te drukken. Het is trendgevoelig, smaakgevoelig en seizoensgebonden. Niemand doet voor zijn lol iets aan wat lelijk is en waar hij zich niet goed in voelt, alleen maar omdat het goed is voor het milieu. Er is wel een markt voor kleding die modieus is én cradle-to-cradle.”

Cradle-to-cradle is een concept waarbij tijdens het ontwerpen van een product bij elke stap circulariteit op nummer één staat. Deze processen moeten zijn vastgelegd en gerapporteerd voordat het product het cradle-to-cradle-label kan krijgen, maar dat kost geld. Van den Heuvel ziet dat als de grote drempel: “Het probleem is dat de prijs van modieuze, duurzame kleding zo hoog is, dat veel mensen het niet kunnen betalen. Wij zijn tegenwoordig ook gewend dat kleding idioot goedkoop is. De prijzen waaraan wij gewend zijn, zijn niet representatief voor goede praktijken.”

Het onzichtbare paspoort
Momenteel is het vaak onduidelijk wat de afkomst is van een kledingstuk, waardoor het moeilijk is om te weten van welke sto^en een stuk is gemaakt. Dit maakt het recyclen lastig, omdat verschillende materialen niet gemengd mogen worden. Om deze problemen op te lossen heeft de EU het Digital Product Passport in leven geroepen. In dit paspoort moet alle informatie komen over het product. De herkomst van de grondstoffen, de verkoper, de fabrikant, de chemische processen die het product heeft ondergaan en meer. Zelfs reparaties kunnen worden bijgehouden in de QR-code.

Het Digital Product Passport moet vanaf komende zomer langzaam uitrollen. In 2030 moet alle verkochte kleding in Europa voorzien zijn van het paspoort. Sommige bedrijven die textiel maken willen die gegevens helemaal niet geven, verwacht Van den Heuvel: “Dat is voor hun een bedrijfsgeheim, hoe zij de allermooiste kleur of allerzachtste stofje kunnen maken. Ze willen dat graag verkopen, maar niet vertellen wat ze erop of erin hebben gedaan. Dan zijn zij niet meer competitief.”

De Nieuw-Zeelandse Holly McQuillan werkt als onderzoekster bij de TU Delft aan projecten om afval te verminderen tijdens de productie van kleding. Zij schreef hierover het boek Zero Waste Fashion Design. Ze is voorstander van het Digital Product Passport, alhoewel ze ook moeilijkheden ziet: “Het is heel lastig om al die informatie uit de productielijn met zekerheid te achterhalen. Als een leverancier een bestelling niet kan nakomen omdat ze de capaciteit niet hebben, dan zoeken ze iemand anders. Ze besteden het uit, maar wat gebeurt er bij de uitbestede partij? Dat maakt het erg moeilijk om volledig te weten waar het product vandaan komt.”

De black box van China
Veel kleding wordt geproduceerd in China, maar er is daar weinig toezicht op de productieprocessen. Het moeilijkste deel om grip op te krijgen is het ‘wet processing’. Van den Heuvel schetst het probleem: “De wet processing is het minst toegankelijke deel van
alles wat er gebeurt. Het vermoeden is dat driekwart van alle textiel in de wereld op een bepaald moment tussen origine en winkel door China gaat. Dat is gigantisch veel.”

Het is niet toevallig dat dit in China gebeurt. Arbeid is hier goedkoop, wetgeving is soepel en China kent veel textielfabrieken. “Wet processing zijn alle manipulaties die de stof zachter, harder, dikker, dunner, flexibeler, glanzender, of fluorescerender maakt. Je kan het zo gek niet verzinnen. Het gaat dan om een chemische verandering van het garen. Het in kaart brengen en volledig controleren, zodat het niet schadelijk is tijdens productie en recycling, dat is heel moeilijk.”

Wet processing is niet strikt noodzakelijk om van een onbewerkte stof naar een bruikbare stof voor kleding te gaan. McQuillan legt uit wat de alternatieven zijn: “Er zijn waterloze, chemicaliënvrije afwerkingsprocessen. Je kunt verfprocessen gebruiken zoals ‘air dye’, die helemaal geen of veel minder water verbruiken. Je kunt een vervaagd e^ect krijgen zonder te wassen, door het op een andere manier te weven. Die processen zijn alleen wel een stuk duurder.

Ingecalculeerde overproductie
Een ander groot aandeel van de uitstoot van de kledingindustrie bestaat uit overproductie. McQuillan beschijft dit probleem: “Een derde van de geproduceerde kleding verkoopt voor de adviesprijs, dan is er nog een derde van de geproduceerde kleding die met flinke korting over de toonbank gaat. Het overige deel van de geproduceerde kleding verkoopt nooit en eindigt vaak in de verbrandingsoven.”Deze overproductie bestaat volgens McQuillan omdat kledingfabrikanten niet kunnen inschatten of er vraag is naar een product. In dat geval heeft een fabrikant liever te veel dan te weinig, want het teleurstellen van de klant zou een negatief effect hebben. De overproductie is onderdeel van het verdienmodel van de kledingindustrie.

Daarnaast blijkt uit onderzoek1 van de TU Delft en de Ben-Gurion Universiteit dat van alle kleding die wél wordt verkocht, maar geretourneerd wordt, in 44% van de gevallen nooit meer een tweede klant bereikt. In de meeste gevallen was de kleding echter nog prima en kon het terug de winkel in. De uitstoot van deze ongebruikte kleding is volgens het onderzoek tot wel zestien keer hoger dan alle uitstoot van het retourproces zelf.

De polyester-paradox
Een andere bron van uitstoot binnen de kledingindustrie is polyester. Alhoewel katoen biologisch is, en dus circulair zou kunnen zijn, is het gebruik van katoen procentueel steeds minder. Dat blijkt uit onderzoek van de European Environment Agency. 2,3Polyester heeft katoen op veel vlakken vervangen. McQuillan legt uit hoe de regels van EU daar zelf aan hebben bijgedragen: “Door wetgeving van ‘Ecodesign for Sustainable Products Regulation’ is de levensduur en robuustheid van een kledingstuk verplicht om van een bepaalde standaard te zijn, maar het gevolg is dat we een enorme toename zien in het gebruik van polyester. De makkelijkste manier om een robuust kledingstuk te maken, is namelijk door er een sterke vezel in te verwerken, zoals polyester.”

Volgens McQuillan weten mensen ook allang dat ze te veel kleding hebben: “Ik denk dat mensen het eigenlijk wel weten en dat er niemand is die niet weet dat we te veel kleding kopen. We hebben bergen kledingstukken die we niet dragen en we gooien kleding weg.” Per persoon gooien we in Nederland zo’n tien tot vijftien kilo aan textiel per jaar weg, volgens cijfers van de overheid. Slechts een heel klein deel hiervan wordt daadwerkelijk gerecycled tot nieuwe kleding. Europa hoopt dat het Digital Product Passport daar verandering in gaat brengen. Tot die tijd kunnen we op SHEIN blijven bestellen, maar zullen we bij de McDonald’s uit een papieren rietje moeten drinken.

24 - 07 - 2026 |
Redactie Kijk op Kennis