Door Matthijs Menken
Op 11 juni 2025 deed de Indonesische president Prabowo Subianto een opzienbarende uitspraak tijdens de opening van een beurs in Jakarta. Nederland heeft omgerekend 31 biljoen dollar aan welvaart van Indonesië ‘gestolen’ tijdens haar koloniale overheersing, zei hij. Het bedrag is gigantisch: ongeveer 27 biljoen euro, tien keer het Nederlandse bruto binnenlands product. De claim veroorzaakte ophef. Hoe kwam Prabowo nou weer aan zo’n astronomisch hoge som? In december 2025 schreef econoom Pierre van der Eng op het wetenschappelijke analyseplatform New Mandala dat het cijfer “niet te substantiëren” is. Maar de vraag achter Prabowo’s claim blijft intrigerend. De kosten van koloniale uitbuiting laten zich namelijk maar moeilijk berekenen. Bij deze vraag staan economen en historici pal tegenover elkaar. Economen zien cijfers: bijvoorbeeld suikerfabrieken die tot vandaag economische groei opleveren. Historici zien context: (de)kolonisatie-afspraken die decennialang economische chaos veroorzaakten. Beiden hebben gelijk. Beiden hebben ook ongelijk.
Kijken door de economische bril
In 2020 publiceerden economen Melissa Dell en Benjamin Olken een studie in de Review of Economic Studies. Hun onderzoeksvraag was vrij direct: hebben de Nederlandse suikerfabrieken op Java langdurige economische effecten gehad? Hun antwoord: jazeker, positief en goed meetbaar zelfs. Dell en Olken maakten gebruik van een zogeheten ‘natural experiment’. Tijdens het cultuurstelsel (1830-1870) bouwden Nederlanders tientallen suikerfabrieken op Java, maar niet overal. Door regio’s met fabrieken te vergelijken met vergelijkbare regio’s zonder fabrieken, konden ze het effect van koloniale infrastructuur onderzoeken. Hun conclusie: regio’s waar fabrieken stonden, hebben vandaag 15 tot 25 procent hogere economische activiteit.
De irrigatiewerken, spoorwegen en havens die Nederlanders eeuwen geleden aanlegden functioneren (deels) nog steeds. Mark van de Water, die in 2023 promoveerde aan de Universiteit Leiden op de economische effecten van Nederlandse investeringen in Indonesië, komt tot een vergelijkbare conclusie. “Tot op de dag van vandaag vormt de infrastructuur een blijvende nalatenschap van de Nederlandse private investeringen in de koloniale tijd,” stelt hij in zijn proefschrift.
Ewout Frankema, hoogleraar economische geschiedenis aan Wageningen University en expert op het gebied van koloniale economieën, plaatst daar vraagtekens bij. “Die tegenstelling tussen kolonialisme als motor van groei en kolonialisme als extractief systeem is een valse tegenstelling,” stelt hij. Het is niet het één of het ander, ze kunnen allebei tegelijk bestaan. Dat Dell en Olken aantonen dat bepaalde regio’s op Java er beter voor staan, betekent namelijk nog niet dat Java als geheel beter af was. “Op microniveau zie je dat bepaalde gebieden beter af zijn. Maar dat zegt ons nog niet zoveel over het geheel.” De suikerplantages kunnen heel goed zijn gegroeid ten koste van andere regio’s. Gaat het dan daadwerkelijk beter met heel Java? En dan is er nog de counterfactual, de hypothetische situatie van hoe Java zich zou hebben ontwikkeld zónder kolonialisme. “Dan zouden we eigenlijk in een lab een tweede soort Java moeten creëren,” zegt Frankema. Dat is, zo erkent hij zelf, niet te doen.
Lessen uit de geschiedenis: dekolonisatie en haar rampzalige gevolgen
Engelse historicus Nicholas White ziet het anders. In een artikel uit 2017 stelt hij dat de manier waarop koloniale machten dekolonisatie regelden veel belangrijker was dan hoe ze hun kolonie daarvóór bestuurden. White vergelijkt Indonesië met Maleisië en Singapore, beide voormalige kolonies. Na de dekolonisatie liep hun economische ontwikkeling sterk uiteen vergeleken met Indonesië. Tussen 1960 en 1970 steeg het bruto binnenlands product per hoofd in Indonesië met slechts 9 procent. In Singapore en Maleisië lag dit percentage veel hoger: respectievelijk 81 en 40 procent. Het verschil zit hem volgens White in de dekolonisatie-akkoorden. In 1949 verwierf Indonesië niet alleen onafhankelijkheid, maar ook schulden: 3,5 miljard gulden aan de Nederlandse regering, plus garanties voor Nederlandse bedrijven. Het akkoord, bekend als FINEC (Financieele en Economische Overeenkomst), creëerde volgens White “een grotere financiële last” dan vrijwel elke andere nieuw onafhankelijke natie kreeg opgelegd.
Dit had direct concrete gevolgen. In 1956 trok Indonesië zich terug uit de FINEC-overeenkomst. In 1957 nam de overheid massaal Nederlandse bedrijven over. White geeft een voorbeeld: de Koninklijke Paketvaart Maatschappij (KPM), Nederlands grootste scheepvaartbedrijf in Indonesië. Na overname door de Indonesische overheid in 1957 werd het vervangen door Pelayaran Nasional Indonesia (PELNI). Tegen 1960 was PELNI half zo productief als KPM in de jaren vijftig. De schepen voeren nog, maar de beste stuurlui waren teruggekeerd naar Nederland. Van de Water merkt op: “Economisch is er veel kapotgemaakt in de eerste jaren na de onafhankelijkheid. Als Nederland haar voormalige kolonie beter had ondersteund, was er een geleidelijke overgang naar een onafhankelijk Indonesië mogelijk geweest.”
Frankema wijst ook op de bredere politieke context. Zonder kolonisatie zou Indonesië als land vermoedelijk niet hebben bestaan. “Het was vermoedelijk toch een archipel gebleven met verschillende staten op verschillende eilanden.” Indonesië is, met andere woorden, een koloniaal construct. Dit had mede als gevolg dat onafhankelijkheidsleider Soekarno de boel koste wat het kost bij elkaar wilde houden. Zijn keuze voor radicale nationalisatie (overname van particuliere bedrijven door de Indonesische overheid) van Nederlandse firma’s paste in zijn antikoloniale agenda. Maar in de praktijk pakte ze uiteindelijk slecht uit. Het buitenlandse inversteerdersvertrouwen kelderde, er werd geld bijgedrukt en er volgde een periode van hyperinflatie. “Dit soort dingen zijn per definitie ook politiek,” aldus Frankema. Kolonies als Maleisië en Sri Lanka kozen een andere weg: goede banden met de voormalige kolonisator, een geleidelijke overgang. Of dat beter was? Ook dat blijft, zoals Frankema het noemt, een counterfactual.
Methodologische appels en peren
Ja, zeggen historici dus, de koloniale infrastructuur leverde voordelen op. Maar deze werden tenietgedaan door een slecht uitgevoerde dekolonisatie. Economen daarentegen meten infrastructuur-effecten, en kunnen zo stellen dat het land er wel degelijk op vooruit ging. Beide groepen hebben op hun eigen manier gelijk; ze meten alleen met verschillende maten. Historici maken gebruik van archieven, interviews en kwalitatieve analyse. Hun kracht zit hem in het volledig begrijpen van (historische) context. Hier tegenover staat het feit dat hun aannames moeilijk uit te rekenen zijn. Uiteindelijk is en blijft een historicus subjectief. Economen hebben daar minder last van. Ze gebruiken datasets, conjunctuuranalyses en economische modellen. Objectiviteit is juist hun sterkste punt. Maar: ze meten alleen wat meetbaar is. Dingen als dwangarbeid, ‘cultuur’, wat dat ook mag zijn, en andere (post)koloniale processen die niks met geld te maken hebben, kunnen ze niet meten. Zulke subjectieve zaken passen nou eenmaal niet in een Excel-bestand.
De verschillende vakgebieden stellen eigenlijk verschillende vragen aan zichzelf. Dell en Olken stellen de vraag: “Had koloniale infrastructuur positieve langetermijneffecten?” Hun antwoord: ja, meetbaar. White vraag zich af: “Bepaalde de aard van dekolonisatie economische ontwikkeling meer dan koloniale erfenissen?” Zijn antwoord: ja, aantoonbaar. Prabowo’s vraag is in essentie: wat is de totale rekening dan? En die vraag is zó simpel, dat hij eigenlijk onmogelijk te beantwoorden is.
De politieke realiteit
Van der Eng’s kritiek op Prabowo’s 31 biljoen is niet dat berekeningen onmogelijk zijn, maar dat dit specifieke cijfer niet klopt. Het is gebaseerd op de omstreden ‘colonial drain’-theorie, die stelt dat alle koloniale winsten als ‘gestolen’ moeten worden gezien. Maar hoe bereken je koloniale winsten over 350 jaar? Dat is praktisch onmogelijk, je moet bij álle onderdelen van de geschiedenis van je land kiezen wat je meerekent en wat niet. En over rekenen gesproken: reken maar dat politieke belangen in deze keuzes meespelen, misschien toevallig wel in het voordeel van de schuldeiser. Uiteindelijk kunnen we stellen dat de koloniale rekening deels kan worden bepaald, maar nooit volledig. Zowel economen als historici hebben methodologisch gelijk, maar alleen binnen hun eigen vakgebied. Prabowo’s 31 biljoen is onwetenschappelijk, maar de vraag erachter is en blijft interessant. De vraag wat Nederland haar voormalige kolonie schuldig is, blijft daarmee precies wat hij altijd is geweest: een rekensom zonder eenduidige uitkomst.