achtergrondartikel
‘Nieuwe wet zal blik op seksueel geweld doen veranderen’

Na een lange aanloop lijkt de aangepaste Wet op Seksueel Misbruik in zicht. In deze wet is ‘dwang’ geen vereiste meer voor verkrachting. Maar is deze wetgeving genoeg om slachtoffers beter te beschermen? Belangenorganisaties benadrukken dat ook hier haken en ogen aanzitten. ‘Het kan nog steeds moeilijk zijn om iemand voor een zedenzaak te veroordelen.’

Seksueel geweld is een breed maatschappelijk fenomeen. Jaarlijks zijn er in Nederland zo’n 100.000 slachtoffers van verkrachting, aanranding of misbruik. Er wordt geschat dat één op de acht vrouwen in Nederland ooit is verkracht, tegenover één op de 25 mannen. De impact voor slachtoffers is vaak enorm. Ze hebben vaker last van psychische problemen en ontwikkelen zich slechter op seksueel niveau, zo blijkt ook uit onderzoek van het UMC Utrecht. Ook zijn ze vaak kwetsbaarder voor herhaaldelijk seksueel geweld – volgens een Amerikaans onderzoek uit 2005 kregen maar liefst twee op de drie slachtoffers van seksueel geweld hier opnieuw mee te maken.

Zedenkit
Het aantal slachtoffers dat aangifte doet van verkrachting is veel beperkter. Dit waren er in 2022 ongeveer 2800. Veel slachtoffers maken geen melding van een incident of besluiten na overleg met een advocaat geen aangifte te doen. ‘Bewijs vinden is bij dit soort zaken extreem lastig’, vertelt Merel Hogendoorn. Zij is als advocaat werkzaam in Leiden bij advocatenkantoor Leidraad. Met haar twee collega’s staat zij met enige regelmaat slachtoffers van seksueel geweld bij. Voor een veroordeling is meer dan één bewijsstuk nodig: alleen een verklaring van een slachtoffer is niet genoeg. ‘Vaak is er bij zedenzaken sprake van een één-op-één situatie, waarbij weinig steunbewijs te vinden is.  Dan kan je gedetailleerd verklaren, maar is het nog steeds heel moeilijk om iemand veroordeeld te krijgen.’

Dat extra bewijs kan bijvoorbeeld worden verzameld door het op tijd afnemen van een zedenkit. Een zedenkit wordt gebruikt om sporen op het lichaam en op kleding te vinden, zoals haren of sperma. Maar vaak worden deze niet op tijd afgenomen. ‘Ik heb vaak cliënten gehad die iets meemaakten, en dan naar huis gingen om te douchen. En dan liggen ze daarna te denken: “misschien moet ik toch de politie bellen”. Dat is een logische menselijke reactie, maar je kans heb je gemist.’

Dwang
Niet alleen de bewijslast, maar ook de huidige verwoording van het wetsartikel dat verkrachting strafbaar stelt zorgt voor problemen. In de wettekst staat dat er voor verkrachting sprake moet zijn van dwang. Om aan deze eis te voldoen, moet het slachtoffer weerstand hebben geboden tegen zijn of haar belager. Echter, maar liefst 70% van de slachtoffers verstijft van angst.

Het vereiste van dwang zorgt daarom al jaren voor ophef. En niet onterecht. In het Vrouwenrechtenverdrag van Istanbul, door Nederland ondertekend in 2011, is opgenomen dat het uitgangspunt bij verkrachting het ontbreken van toestemming moet zijn. Dit is dus een ander uitgangspunt dan dwang. Uiteindelijk heeft het kabinet dit rond 2020 opgepakt, en werd ‘seks tegen de wil’ als alternatief voor verkrachting voorgesteld. Hiertegen kwamen vanuit alle kanten ontevreden reacties.

Opzetverkrachting
Marijke Brouwer-Poelgeest is werkzaam bij Stiching Fonds Slachtofferhulp als juridisch beleidsmedewerker, en vertelt hier meer over: ‘Dat voorstel stootte veel slachtoffers tegen de borst. De term seks impliceert een soort wederzijds goedvinden, dat is iets anders dan verkrachting. Stel, je verkrachter staat voor de rechter. En dan zegt de rechter “Er is geen sprake van verkrachting, maar wel van seks tegen de wil.” Dat is enorm bagatelliserend.’

De minister luisterde naar deze kritiek, en paste het wetsvoorstel aan. In de meest recente versie worden nu twee verschillende vormen van verkrachting onderscheiden. Van ‘schuldverkrachting’ is sprake wanneer een verdachte een ernstig vermoeden hoorde te hebben dat het slachtoffer geen seks wilde hebben. Bij ‘opzetverkrachting’ wist de verdachte dat de wil sowieso ontbrak. Ook als iemand bijvoorbeeld te dronken is om toestemming te geven, leidt dit tot opzetverkrachting. Het dwangvereiste is daarnaast uit beide artikelen weggehaald. Wanneer er wel sprake is van dwang of er geweld is gebruikt, zou dit leiden tot ‘gekwalificeerde opzetverkrachting’. Dit is een zwaardere vorm van opzetverkrachting, waar een hogere straf op staat.

Te traag? 
De wet lijkt echter nog wel even op zich te laten wachten – de verwachting is dat het wetsvoorstel pas in 2024 zal worden geïmplementeerd. Momenteel debatteert de Tweede kamer nog over het wetsvoorstel, waarna de inhoud eventueel nog wordt aangepast. Daarna moeten beide kamers hier nog over stemmen. ‘Het proces van wetsvoorstellen opstellen en laten toetsen is lang en kost veel tijd. Anders zit je straks met een wetsvoorstel waar je niets mee kan,’ vertelt Hogendoorn. Ook Brouwer-Poelgeest benadrukt dit. ‘Natuurlijk zouden we willen dat het sneller gaat, maar het is een gevoelig onderwerp. Er komt veel bij zo’n wetsvoorstel kijken.’

Ook Spanje laat zien dat het belangrijk is om een wet rondom seksueel misbruik voorzichtig op te stellen. Daar werd het wetsartikel rondom verkrachting na een controversiële zaak in 2016 in rap tempo aangepast. Iedere vorm van seks zonder instemming werd strafbaar gesteld. Tegelijkertijd werd ook de minimumstraf verlaagd. Door deze strafverlaging konden veroordeelde verkrachters echter volgens het Spaanse recht met terugwerkende kracht in aanmerking komen voor een strafvermindering – een onbedoeld bijeffect waar de Spaanse premier zelfs zijn excuses voor heeft aangeboden.

Maar is een zorgvuldig opgesteld wetsvoorstel dan voldoende om verkrachting beter aan te pakken? Zowel Hogendoorn als Brouwer-Poelgeest denken dat er meer nodig is. Volgens Brouwer-Poelgeest heeft het wetsvoorstel weinig zin als er onvoldoende capaciteit bij de politie en het OM is om deze zaken af te handelen. Het percentage ‘plankzaken’ – zaken waar na 6 maanden nog steeds geen voortgang op is gemaakt – neemt alleen maar toe. Als het makkelijker wordt om iemand te vervolgen voor verkrachting, kan het zijn dat er alleen maar meer zaken blijven liggen. ‘Daarom is het ook goed op de tijd nemen om deze wet in werking te stellen. Zo kunnen ze ook op tijd naar de uitvoerbaarheid kijken.’

Bewustzijn 
Hogendoorn en Brouwer-Poelgeest benadrukken daarnaast nog een andere, meer informerende invalshoek van deze wetswijziging. Hogendoorn is namelijk bang dat, zelfs met de versoepelde eisen, verkrachting bewijzen in veel omstandigheden nog steeds moeilijk zal zijn. ‘Als je door een gebrek aan bewijs überhaupt niet kan aantonen dat er sprake is van seksueel contact, kan het nog steeds heel moeilijk zijn om iemand in een zedenzaak te veroordelen.’ Daarom denkt zij dat het wetsvoorstel vooral ook goed is voor het bewustzijn rondom seksueel contact. ’Dit wetsartikel kan zorgen voor een besef dat je niet alles hoeft te accepteren. En dat kan leiden tot ander contact met elkaar, omdat men zich meer durft uit te spreken.’

Brouwer-Poelgeest vertelt dat, ondanks dat ze bij Slachtofferhulp erg blij met dit nieuwe wetsvoorstel zijn, zij voor slachtoffers ook buiten het strafrecht meer mogelijkheden willen aanbieden. ‘Het wetsvoorstel is niet de heilige graal, maar een stapje in de goede richting. Voor een slachtoffer is het strafrecht namelijk niet altijd de beste manier om erkenning te krijgen. Het vraagt ontzettend veel van een slachtoffer om de juridische molen in te gaan.’ Het juridische proces is vaak erg onaangenaam, en kan voor slachtoffers net zo traumatiserend zijn als het originele incident.

Dit wordt ook wel ‘secundaire victimisatie’ genoemd: iemand wordt opnieuw slachtoffer van het juridische proces. Al in de jaren ’90 werd in meerdere onderzoeken vastgesteld dat dit vaak zwaar en langdurig leed bij slachtoffers kan veroorzaken. Het proces na de aangifte en de juridische zaak achteraf, maken het slachtoffer kwetsbaar.  Ook Hogendoorn herkent dit vanuit haar werkzaamheden: “Een aangifteverhoor is voor slachtoffers bijvoorbeeld ontzettend zwaar. Je moet alles in detail weer terughalen. En niet iedereen is daartoe in staat.”

Betere zorg 
Hoe kunnen slachtoffers dan verder geholpen worden? Hogendoorn denkt dat de diverse Centra voor Seksueel Geweld een belangrijke rol kunnen spelen. In deze centra kunnen slachtoffers worden opgevangen en direct psychologische en medische hulp krijgen.  Zo kan ook tijdiger bewijs worden verzameld, mochten slachtoffers uiteindelijk hun belager willen vervolgen. Deze centra waren een experiment van Fonds Slachtofferhulp, vertelt Brouwer-Poelgeest. Toen deze ook in Nederland effectief bleken, heeft de overheid de financiering van deze centra overgenomen.

Ze vertelt ook over de andere initiatieven van het fonds. Zo brengen ze lotgenoten bij elkaar en zetten ze zich in om het bewustzijn over seksueel geweld te verhogen. Recent hebben ze een platform voor en door jongeren opgezet, waar zij hun ervaringen met online seksueel geweld kunnen delen. ‘We proberen jongeren te stimuleren om erover te praten, zodat we het taboe kunnen doorbreken en slachtoffers meer erkenning kunnen krijgen.’ Brouwer-Poelgeest benadrukt dat een nieuwe Wet op Seksueel Geweld hier wel een cruciale bijdrage aan kan leveren. ‘Ik denk dat dit wetsvoorstel goed bijdraagt aan hoe we als maatschappij tegen seksueel geweld aankijken. We hopen onze normen de komende jaren steeds meer bij te stellen, zodat we seksueel geweld uiteindelijk helemaal niet meer accepteren.’

 

13 - 06 - 2023 |
AnneBierens