Gevangenis of kledingfabriek in Bangladesh?

Foto Mona Mijthab. SuSAnA Secretariat, Flickr (CC BY 2.0)
11 - 04 - 2019 ► 20:18



Tralies voor de ramen, bewakers bij de poorten, bodychecks. Werknemers mogen pas naar buiten als het werk af is. Nee, dit gaat niet over een gevangenis, maar over de kledingfabrieken in Bangladesh. Dit zijn de bevindingen van antropoloog Hasan Ashraf, die zes maanden veldonderzoek deed door in zo’n fabriek te gaan werken. Hij vindt dat de omstandigheden van de werknemers op het gebied van gezondheid, veiligheid en welvaart snel moeten verbeteren.

In 2013 stortte in Bangladesh de kledingfabriek Rana Plaza in. Daarbij kwamen 1.134 mensen om het leven. Nu, bijna zes jaar later, heeft de kledingproductie in Bangladesh haar werkomstandigheden nog steeds niet op orde. Opnieuw is het nieuws gehaald, nu door fabrieksmedewerkers die protesteren over het slechte minimumloon. Deze protestactie heeft geleid tot massa-ontslag.

In zijn onderzoek The Threads of Time in Bangladesh’s Garment Industry  vertelt Ashraf over wat hij is tegengekomen in de kledingfabrieken. De arbeiders noemen de fabrieken vaak gevangenissen en beschrijven hun leven als een gevangenschap. Een van hen vertelt: “Als je eenmaal de fabriek instapt, dan mag je niet meer naar buiten wanneer je zelf wilt. Je neemt vrijwillig deel aan de wereld van kleding en je gaat vanuit vrije wil de fabriek in, maar je vrije wil helpt niet als je uit de fabriek wilt of zelfs moet gaan.”

De vergelijking van de kledingfabriek met een gevangenis ontstaat ook doordat voor de ramen van de werkruimtes tralies zijn geplaatst. “Het zou een grove fout zijn om de fabrieksarbeiders te vertrouwen”, legt een bewaker in Ashrafs onderzoek uit. “Als ze de kans zouden krijgen, dan zouden ze de fabriek in minder dan een uur leegstelen.” Groot nadeel van de tralies is een vermindering van de brandveiligheid voor de medewerkers.

Rechteloos
De werkdagen horen van acht tot vijf te duren, maar lopen bijna altijd   met drie à vijf uur uit. De werknemers mogen pas naar buiten als het werk af is en kunnen zich nooit ziek melden. Omdat werknemers meestal geen contracten krijgen, zijn ‘tijdkaarten’ het enige bewijs van de tijden die ze werken en bewijs van dat ze überhaupt bij een bedrijf werken. Tijdens het werk moeten ze deze kaarten inleveren bij de fabriek.

De werknemers zijn constant bang dat hun werkgever knoeit met de tijdkaarten, zodat ze minder uitbetaald krijgen. Dit gebeurt ook wanneer de werknemers hun werk niet goed doen of staken tegen te lage lonen of slechte werkomstandigheden. De werknemers zijn dus in feite rechteloos. Zij hebben geen bewijs van werken, waardoor misbruik makkelijk kan plaatsvinden.

In een Skype-gesprek bevestigt onderzoeker Dr. Jeroen Merk bij de Universiteit van Edinburgh Ashrafs waarnemingen: “In de meeste fabrieken zijn de omstandigheden nog erg slecht met 70 à 80 uur werk per week en veel te lage lonen. Onveiligheid is daarbij eerder regel dan uitzondering.”

“Daarnaast is hun baan niet stabiel”, volgens antropoloog Ashraf. “De fabriekseigenaren werken onder continue dreiging dat de opdrachtgevers misschien wisselen van een fabriek als leverancier, indien hun eisen niet gehaald worden. Baanonzekerheid neemt daardoor toe en dit leidt tot onzekere leefomstandigheden voor de arbeiders.”

Krappe productietijd
In zijn onderzoek beschrijft Ashraf een gebeurtenis waarbij bij een productie niet voldoet aan de eisen van de opdrachtgever. Vervolgens ontslaat de productiemanager de werknemer die de leiding heeft over de kwaliteit van de kledingproductie. “Dit is helemaal jouw fout. Je bent ontslagen”, zegt de productiemanager tegen de werknemer, terwijl hij hem in zijn gezicht slaat.

Zelfs de fabriekseigenaren uiten nu hun zorgen over de werkomgeving van hun werknemers. Zij weigeren om alle schuld langer op zich te nemen. De eigenaren vinden dat voor een ethische werkomgeving de merken minder druk op ze moeten leggen. Wanneer de merken weinig betalen, zorgt dit voor een krappe productietijd, wat uiteindelijk resulteert in slecht management op de werkvloer, zoals in het voorbeeld uit het onderzoek van Ashraf ook is gebeurd.

Micro-modeseizoenen
Maar waarom leggen de merken zoveel druk op de fabrieken? Aan de ene kant lijkt het probleem van de consumenten afkomstig te zijn. Zij willen veel kleding kopen voor een lage prijs.

Aan de andere kant vindt Ashraf dat de schuld juist bij de merken ligt. “Merken streven vaak naar fast-fashion, daarvoor gebruiken ze bedrijfsmodellen die gebaseerd zijn op het creëren van zo veel mogelijk vraag en winst. De merken investeren grote bedragen in marketing om dat te bereiken.” Daardoor drijven de merken de vraag naar kleding enorm op.

De traditionele modeseizoenen werden eerst uitgebreid van twee naar vier. Daarna ontstonden er ‘tussenseizoenen’ en nu zijn er zelfs elke paar weken micro-modeseizoenen. Dit heeft een enorme kledingproductie tot gevolg, die onterecht zo hoog is. Zo gooide H&M vorig jaar onverkochte kleding weg met een waarde van 4,3 miljard dollar.

foto Hasan Ashraf

Het Bangladesh-akkoord
“Merken doen niet veel aan de problemen in de fabrieken, de overheid van Bangladesh heeft een aantal wetten, maar die worden niet goed uitgevoerd en de NGO’s bedoelen het goed, maar kunnen niet genoeg invloed uitoefenen”, vult onderzoeker Merk aan. Het Bangladesh-akkoord uit 2013, opgericht na de instorting van 2013, is wel een stap in de goede richting vindt Merk. “Bij de opstelling daarvan hadden de vakbonden en bedrijven evenveel inspraak.” Het akkoord bevat afspraken over onafhankelijke controle op de veiligheid van de vele textielfabrieken en over de verslaglegging daarover.

Ondanks dit akkoord houden de problemen in de kledingfabrieken toch aan. Zo moet de overheid van Bangladesh een grotere rol gaan spelen bij het oplossen van de problemen in de toekomst, vindt Merk. “Op dit moment zijn de parlementariërs namelijk zelf ook afhankelijk van de kledingindustrie.”

Daarnaast moet de overheid van de staat die de kleding importeert ook het een en ander doen. “Zij moet de bedrijven ter verantwoording roepen en transparante rapporten eisen”, legt Merk uit. “Ook kan die overheid het goede voorbeeld geven door bijvoorbeeld politie- en brandweeruniformen te laten produceren in fabrieken die de mensenrechten het minst schenden.”

Made in Bangladesh
De twee onderzoekers zijn het eens over wat de consument kan doen om bij te dragen aan de oplossing van het probleem. “De consument moet druk uitoefenen op de merken door vragen te stellen in winkels over het productieproces en de arbeidsomstandigheden. Ook kunnen de consumenten kijken welke bedrijven meer doen dan anderen”, zegt Merk.

Consumenten moeten zich bewust worden van de herkomst van hun kleding. “Bangladesh ligt misschien geografisch ver weg van Leiden, maar in kledingwinkels komt al snel het label ‘made in Bangladesh’ in kleding voor”, zegt Ashraf. Daarnaast moeten de consumenten kritisch zijn op hun vraag naar kleding. Hebben ze die echt nodig of trappen ze in de marketingvalstrik van de kledingmerken?

Zo roept de NGO ‘Fashion Revolution’ elk jaar consumenten op om aan merken de vraag te stellen: ‘Who made my clothes?’ Dit doen de consumenten dan in winkels en via social media.

Verantwoordelijkheid
“Arbeidsomstandigheden zijn een verantwoordelijkheid van het bedrijf zelf”, vindt Roosmarie Ruigrok, coördinator Nederland van Fashion Revolution. “Een toeziende factor daarbij kan de overheid zijn, maar dat toezicht is in landen als Bangladesh echt onvoldoende. Dat komt bijvoorbeeld door een slecht opererende overheid en een industrie die enorme prijsdruk kent.

De oplossing lijkt dus ook richting overheidsoptreden te liggen, ook supranationaal. Een model van arbeid en regelgeving past niet meer in de huidige tijd. Dat model slaagt er niet in om met transnationale ondernemingen en hun wereldwijde ‘supply chains’ om te gaan.

“De kledingindustrie is uitgegroeid tot een schoolvoorbeeld van hoe de economische globalisering heeft geleid tot slechte en onveilige arbeidsomstandigheden”, schrijft Dr. Merk in zijn onderzoeksvoorstel ‘Closing the Governance Gap‘.

“We moeten in de toekomst naar een systeem waarin de ‘brands’ die deze productieketens aansturen, direct verantwoordelijk zijn voor de arbeidsomstandigheden in hun keten”, vertelt Merk.

“Als we namelijk doorgaan in het huidige tempo met het oplossen van het probleem dan houdt het nog wel honderd jaar aan. Het is een ingewikkeld probleem. Het gaat er uiteindelijk om dat degene die aan de top staat van de keten betrokken moet zijn bij degene die aan het begin van de keten staat.”

Bovennatuurlijke kracht
Daar werkt Jamilla in de kledingfabriek achter de naaimachine. Zij beschrijft het begin van haar werkdag in Ashrafs onderzoek als volgt: “Het voelt als een bovennatuurlijke kracht, die me uit bed tilt en naar de fabriek sleept. Zelfs als ik dat niet wil. Ik kan alleen een beetje langer slapen als ik het ontbijt oversla, want bij de fabriek moet ik me op tijd melden. Eenmaal binnen, ben ik de controle op tijd helemaal kwijt. Het management heeft het overgenomen.”

Iedereen is het er over eens dat Jamilla’s omstandigheden voor haar gezondheid, veiligheid en welvaart niet goed zijn in Bangladesh. Dat moet anders met een aanpak via de keten en samen met de overheden. Kledingfabrieken in Bangladesh mogen niet meer lijken op gevangenissen.

 

Foto boven: Mona Mijthab. SuSAnA Secretariat, Flickr (CC BY 2.0)

Foto midden:  Hasan Ashraf, kledingfabriek in Bangladesh

Emilie van Kinschot



Geef een reactie

artikelen van Emilie van Kinschot:
Gevangenis of kledingfabriek in Bangladesh?