carrousel
Verkiezingsdebat: ‘Journalist gaat zelden confrontatie aan’

Tijdens verkiezingsdebatten treden debatleiders zelden op als criticus en ze vragen nauwelijks om verantwoording. Dat blijkt uit het promotieonderzoek van Remko van Broekhoven, politiek-filosoof en docent aan de School voor Journalistiek (Hogeschool Utrecht). Hij analyseerde de verkiezingsdebatten tussen 2002 en 2012, de berichtgeving erover en hield interviews met zowel debatleiders als schrijvende journalisten. Vandaag verdedigt hij zijn proefschrift De bewakers bewaakt – Journalistiek en leiderschap in een gemediatiseerde democratie.

Welk resultaat uit het onderzoek heeft u het meest verrast?
Het feit dat debatleiders zo weinig verantwoording vroegen en de confrontatie aangingen met de politici. Uit de gesprekken met de journalisten bleek wel dat ze op een fatsoenlijke manier proberen de debatten te leiden, terwijl bij kijkers vaak juist het beeld van debatleiders bestaat dat ze kefferig en fel zijn.

Hoe belangrijk is die confrontatie in een debat voor de kijker?
In campagnes, waarvan verkiezingsdebatten onderdeel zijn, domineren de mooie uitspraken over wie wat belooft voor de toekomst en wie wat met wie wil, in plaats van de vraag wat iemand de afgelopen jaren heeft gedaan. Dus de kloof tussen wat je zegt en wat je deed. Dat laatste is voor kiezers juist minstens zo belangrijk. Vooral een zwevende kiezer kan namelijk beïnvloed worden door een verkiezingsdebat. Maar, zeggen debatleiders terecht, je kunt niet zes, zeven politici allemaal afrekenen op wat ze de afgelopen jaren hebben gedaan. Dan blijft er weinig debat tussen die politici over. Je probeert als journalist je rol dus ook een beetje beperkt te houden.

Wat zou er dan wel anders kunnen?
In het proefschrift doe ik een aantal aanbevelingen. Eentje daarvan is dat je een ander format aanbiedt: een verantwoordingsdebat of town hall-debat zoals ze in de Verenigde Staten kennen. Of een soort Oog in Oog van Sven Kockelmann. Alle politici moeten dan in de week vóór de verkiezingen langskomen, zodat ze echt kritisch ondervraagd kunnen worden.

U heeft dit onderzoek gedaan met een promotievoucher. Wat houdt dat in?
Dan mag je op kosten van de hogeschool vier jaar lang promoveren. De tijd die je anders voor lessen zou gebruiken, kun je nu besteden aan het onderzoek. Het is dus een regeling om te zorgen dat niet alleen docenten van de universiteit, maar ook hogeschooldocenten kunnen promoveren.

Wat is de belangrijkste les die u studenten altijd meegeeft?
Je probeert een soort denken te stimuleren, van: ‘wat zou je nu doen’ en ‘wat zou je nu vragen’. Wat dat betreft raken journalistiek en filosofie elkaar. Bij allebei stel je heel veel waarom-vragen met een kritische houding enerzijds, maar ook de neiging om iets op te bouwen en bij te dragen aan de samenleving anderzijds.

Laatste vraag: heeft u zin in de promotie?
Ik heb er wel zin in, maar vooral in het moment dat het voorbij is, haha.

22 - 04 - 2016 |
vgeenen