”Dialectwoordenschat is een extraatje”

Foto: Joline Cramer.
04 - 03 - 2015 ► 15:12



Sjupkar, sjorkar, kruiweege: allemaal woorden voor dezelfde kruiwagen, alleen dan in dialect. Kirsten van den Heuij doet onderzoek naar de invloed van Limburgs dialectgebruik op de Nederlandse woordenschat van kinderen en publiceerde recent de eerste resultaten.

“Ik hoor vaak dat er op scholen in Limburg Nederlands moet worden gesproken om de Nederlandse woordenschat te stimuleren. Op basis van onze woordenschattest kan ik zeggen dat het spreken van dit dialect geen nadelige gevolgen heeft voor kinderen. Dus waarom zou je dat dialect of die tweede taal op scholen verbieden?” Kirsten van den Heuij glimlacht. Twee dagen in de week werkt zij in het Amsterdamse Meertens Instituut aan haar onderzoek naar de invloed van Limburgs dialectgebruik op kinderen.

CoDEmBi

Het onderzoek van Van den Heuij maakt deel uit van een omvangrijkere studie naar de cognitieve vaardigheden van meertalige kinderen, genaamd CoDEmBi. Ook in haar onderzoek analyseert Van den Heuij de cognitieve vaardigheid van Limburgs dialectsprekende kinderen, maar net zo belangrijk is de woordenschattest die zij bij hen heeft afgenomen. Hiervoor werden er in eerste instantie 87 kinderen tussen de 4 en 8 jaar oud getest op hun Limburgse en Nederlandse woordenschat. Het effect van het dialect op de grammaticale ontwikkeling van deze kinderen werd niet onderzocht.

Sieraad

De test bestaat uit twee taken: de ene taak meet de Nederlandse woordenschat, de andere taak meet de dialectwoordenschat. Hierbij werd nog geen onderscheid gemaakt tussen eentalige- en meertalige dialectsprekende kinderen. Van den Heuij. “De Peabody Picture Vocabulary-test meet de Nederlandse woordkennis. Een kind krijgt een aantal afbeeldingen te zien, waarna bijvoorbeeld de vraag wordt gesteld: ‘Waar zie je een sieraad?’ Het is de bedoeling dat het kind dan de juiste afbeelding aanwijst.”

De tweede taak wordt de Limburgse woordtaak genoemd. Die meet de dialectvaardigheid van de kinderen. Van den Heuij: “Uit de Basiswoordenlijst Amsterdamse Kleuters hebben wij een selectie gemaakt van 30 woorden. Die woorden verschillen in lexicale vorm, morfologie of klank van het Nederlands. ‘Konijn’ wordt bijvoorbeeld ‘konien’. Hierbij zie je een duidelijke verandering op klankniveau. Maar als je kijkt naar ‘varken’, ook wel ‘kuusj’ genoemd, dan heb je een verschil op woordniveau, een lexicaal verschil. Opvallend bij deze taak is dat kinderen woordvormen combineren. Zij mixen het Standaardnederlands met dialect en creëren zo een mixvorm van wat voor hen op dat moment dialect is.” Van den Heuij licht toe: “Stel, het kind ziet een tekening van een bord. We hadden verwacht dat het kind ‘teier’ zou zeggen, maar het zegt ‘burdje’, of ‘bordske’. Het gebruik van die mixvorm is een lastige kwestie, omdat het daardoor moeilijker werd een kind te categoriseren als een- of meertalig, dialectsprekend.”

Landelijk gemiddelde

Uiteindelijk zijn de beide woordenschattaken geanalyseerd. De uitkomst? Kinderen die veel dialectwoorden gebruiken, scoren niet slechter op de Nederlandse woordenschattaak dan kinderen die veel Nederlandse woorden gebruiken. Van den Heuij: “We hebben gezien dat dialectsprekende kinderen bij deze test zelfs iets boven het landelijk gemiddelde scoren, terwijl er verondersteld werd dat door het dialect het Nederlands minder goed is. Dat vinden wij niet terug in ons onderzoek: wij zien wel degelijk een goed ontwikkelde Nederlandse woordenschat. Die dialectwoordenschat is een extraatje.”

Joline Cramer



Geen reacties mogelijk.

artikelen van Joline Cramer:
Rechtspraak: met lege handen door overspel
Biodiesel uit een rubberboom
”Dialectwoordenschat is een extraatje”