etalage
Gezondheid op internet: wel zoeken, niet vertellen

Eén blik op je Facebook of Twitter pagina en je ziet dat iedereen van alles post en tweet. Wat je waarschijnlijk weinig voorbij ziet komen zijn berichten met informatie over gezondheid. Slechts 15 procent van de mensen deelt deze informatie op de sociale media, terwijl 40 procent de sites gebruikt om hierover informatie op te zoeken. Dit blijkt uit onderzoek van Rosemary Thackeray, hoogleraar gezondheidswetenschappen aan Brigham Young University. De Nederlandse hoogleraar gezondheidscommunicatie Frans Meijman ziet geen probleem: volgens hem voegt het delen van informatie over gezondheid op sociale media weinig toe.

Het onderzoek  van Thackeray en collega’s, dat is verschenen in het Journal of Medical Internet Science, laat zien dat drie kwart van de 1745 ondervraagden begint met zoeken op zoekwebsites als Google en Yahoo. Aan het einde van hun zoektocht heeft een derde gebruik gemaakt van sociale netwerksites en 41 procent is terecht gekomen bij websites van ziekenhuizen of andere instanties en beoordelingen van artsen.

De ervaring van velen is belangrijk

Volgens Thackeray is het belangrijk dat mensen bijdragen aan de informatiestroom over gezondheid en ziektes op socialenetwerksites: “Je moet niet alleen denken aan Facebook en Twitter, waar men vooral vrienden en kennissen mee bereikt, maar ook sites zoals patientslikeme.com en circleofmoms.com. Als tienduizend mensen hun ervaringen met een geneesmiddel opschrijven, weet je dat die informatie betrouwbaarder is dan wanneer alleen de ervaring van één persoon beschikbaar is.”

Praatjes aan de dorpspomp

Frans Meijman, hoogleraar medische wetenschaps- en publiekscommunicatie aan de VU, is het hier niet mee eens: “Zelfs als veel mensen hun visies en ervaringen met ziektes en de behandeling ervan zouden willen delen via de nieuwe sociale media, dan heeft die overdaad aan individuele inbreng geen meerwaarde boven de praatjes aan de dorpspomp van weleer of bij het koffieapparaat tegenwoordig. Ordening, kadering en toelichting door professionele journalisten en redacteuren geven aan de bundeling van die ‘praatjes’ een meerwaarde, maar die inspanningen komen niet als vanzelf uit ‘de massa’ tot stand.”

Dat weinig mensen informatie over gezondheid doorgeven via de sociale media verbaast Meijman niet. “Ook in de alledaagse omgang kennen wij sinds jaar en dag relatief veel personen die overwegend halen en relatief weinig mensen die het nodige inbrengen. Het is een naïeve gedachte dat louter het ter beschikking stellen van meer interactieve media de grondfiguur van participatie aan collectieve informatie-uitwisseling en gedachtevorming zou doen veranderen. Dit geldt zeker als het over relatief intieme zaken als gezondheid en in het bijzonder ziekte-ervaringen gaat.”

Ook Thackeray ziet dat informatie delen over het onderwerp betekent voor personen dat zij vaak persoonlijke informatie delen en dat dit misschien een reden is dat men hierover zo weinig bericht. “Misschien vinden ze het ook niet nieuwswaardig genoeg.”

Op de vraag waarom mensen vooral informatie tot zich nemen en weinig brengen, antwoordt Thackeray:  “Het is nog niet duidelijk wat de motivatie is van mensen om informatie op socialeetwerksites te delen. Neuroticisme en extroversie zijn eigenschappen die in de wetenschap vaak geassocieerd worden met het gebruik van sociale media en het delen daarop. We weten niet of hetzelfde geldt voor het delen van informative over gezondheid. Dit is nog niet onderzocht.”

 

 

 

 

 

 

 

 

09 - 04 - 2013 |
robins