Leidse bijen komen met moeite de winter door

29 - 05 - 2012 ► 15:13



Het gaat slecht met de Nederlandse bij. Al jaren overleven steeds minder bijenvolken de winter. Fred Weber is imker van de Leidse Hortus. Hij zag de afgelopen drie jaar al zijn volken sterven. Dit jaar overleefde er één, maar de kast staat er treurig bij. “Ik ben ze aan het reanimeren. Het is afwachten of ze het redden.”

In een stil hoekje van de zonovergoten Hortuskwekerij aan de 5e Binnenvestgracht staat het volk bij te komen van de winter. Bij drie nieuwe volken in kasten een stukje verderop is het een drukte van jewelste. Werksters vliegen onder luid gezoem af en aan. Ze zijn zwaar bepakt met stuifmeel.

“Zo hoort het”, vertelt Weber, die van huis uit bioloog is. Hij kon de nieuwe bijenpopulaties toevallig overnemen van een overleden imker. Anders was het een stuk moeilijker geweest, andere imkers hebben deze winter ook weinig volken overgehouden.

Traditie

 

Bijen houden is al vier eeuwen lang een traditie in de oudste botanische tuin van Nederland. Toen de Leidse hortus in 1590 werd gesticht, hield de eerste tuinbaas, hortulanus Dirck Outgaertszoon Cluyt (Clutius), al bijen. Hij schreef het eerste Nederlandstalige boek over honingbijen: Van de byen, hare wonderlicke oorspronc.

Van oudsher worden in de hortus dan ook honingbijen gehouden. Dit soort is de belangrijkste bestuiver in de landbouw. “Dertig procent van wat wij eten zoals fruit, groente en noten, is afhankelijk van het werk van de bijen”, legt Weber uit.

Koud

 

De bijenbevolking van de hortus bestond voor de winter uit drie families. Er bleven er uiteindelijk twee over, maar ze waren zo afgezwakt dat Weber ze samenvoegde. Een gezond bijenvolk groeit in het voorjaar uit tot zo’n 50.000 werksters (vrouwtjes) en darren (mannetjes), inclusief de koningin. In de nieuwe kasten zitten er nu tussen de 10.000 en 20.000. Er klinkt een luid gezoem uit de kasten. Uit de oude kast komt nog maar amper geluid. Daar zitten misschien nog 5.000 tot 10.000 bijen in, denkt Weber.

Vooral het wisselende klimaat van de laatste maanden speelde de volken parten. In de winter gaan bijen namelijk in rust. Ze klitten samen rond de koningin en houden haar warm. Dat doen ze door hun vleugels als het ware in zijn vrij te zetten. “Net als in de auto. De motor draait wel, maar de auto rijdt niet.”

In maart was het warm maar daarna werd het weer koud en daar raken ze van in de war, zegt Weber. Als er dan te weinig bijen overblijven in de kast, kunnen ze elkaar niet meer warm houden en sterft het hele volk. Dat gebeurde deze winter met een van de hortus-volken. “Als de kast koud aanvoelt, weet je dat ze dood zijn.”

Albert Einstein

 

Uit de net gepubliceerde Monitor Uitwintering Bijenvolken 2011 van het Nederlands Centrum Bijenonderzoek (NCB) blijkt dat in totaal 21,4 procent van de Nederlandse bijen in de winter is gestorven. Bijna 10 procent van alle volken verdween helemaal. Over wat precies de oorzaak is van de sterfte woedt onder onderzoekers en imkers een fel debat.

De een zegt dat het komt door de Varrao-mijt die de bijenlarven ziek maakt. Anderen zeggen dat het komt door bestrijdingsmiddelen. Zelf leerde Weber op de imkeropleiding dat hij zijn mobiel uit moet zetten als hij naar zijn bijen gaat: sommige imkers denken dat ze gedesoriënteerd raken door de gsm-straling en dan de weg naar huis niet meer kunnen vinden.

Toch is de bijensterfte vooral een combinatie van al deze theorieën, denkt Weber. Maar hij ziet de bijensterfte niet als een apocalyptisch verhaal. Hij gelooft niet in de uitspraak van Albert Einstein dat als de bijen verdwijnen de mens nog vier jaar te leven heeft. Want als bijen niet langer land- en tuinbouwgewassen bestuiven, zal er niet voldoende voedsel zijn voor de wereldbevolking, is de gedachte.

“Ik kan me niet voorstellen dat Einstein dat gezegd heeft. De voedselvariëteit zal achteruitgaan, maar we hebben dan altijd nog windbestuiving waarmee bijvoorbeeld maïs kan groeien.”

Bijenkroeg

 

Bovendien ziet Weber de bijen nog niet zo snel uitsterven. Het is vooral belangrijk dat mensen zich ervan bewust zijn dat de bijen belangrijk zijn en dat we ze kunnen helpen. Door bijvoorbeeld veel verschillende soorten planten in de tuin te zetten en zo min mogelijk plantengif te gebruiken. Het aantal zogenaamde drachtplanten in Nederland neemt namelijk af. Uit dit soort planten halen de bijen nectar, het voedsel waar ze van leven. Weber: “Te veel spinazie eten is ook niet goed voor je.”

In de hortus zit het voor de bijen wel goed met de voedselvoorziening. De tuin waar ze nu staan, ligt buiten het hortusterrein en is niet open voor het publiek. Het is er rustig zodat de bijen niet gestoord worden. “Als ze straks zijn aangesterkt, ga ik een mooie plek voor ze zoeken in de hortus.”

Maar het kan nog beter. Het liefst wil Weber een bijentuin aanleggen op een wat verlaten stukje in de hortus. Daar moeten dan speciale planten komen waar bijen dol op zijn en een bijenkroeg, een drinkplaats waar ze makkelijk bij het water kunnen. “Het moet een luilekkerland voor bijen worden.”

Vicki Blansjaar



Geen reacties mogelijk.

artikelen van Vicki Blansjaar:
Leidse bijen komen met moeite de winter door
Op ontdekkingsreis door de microwereld van bacteriën
Nederlandse wetenschap in een paar minuten